Maandag, 9 januari 2023

Ik zit op de fiets, het is nog donker. Het waait zo hard, dat mijn haarpunten in mijn lippenbalsem blijven kleven. Overal zijn lichtbollen; lage die voortbewegen, hoge die zweven. Ik vind het fijn om het licht van de dag in te fietsen.

Op mijn rug op de tafel ruik ik de kokos in mijn haren. De man achter mij maakt er krullen in met zijn warme handen, waar mijn hoofd zwaar op rust. Of ik oké ben, fluistert een stem. Ik ga niet klappertanden, mijn lichaam geeft mee. Ik denk aan lachen, ik denk aan huilen, maar geen van beide gebeurt.

Buiten, in de aangrenzende kamer, zit een man zonder gezicht. Het is een patiënt. Hij is stil, hij wacht. Op weg naar mijn fiets laat ik mijn voeten achter.

Iemand gaf me een boek over slapen. Ik kan geen boek over slapen meer zien.
Er staan tips in. ’s Nachts naar de wolken kijken en hopen dat de maan ze verlicht. Bellen blazen. Met klei boetseren. Met fruit jongleren. Ik word kwaad.
Er staat ook nog dat slapelozen als minder aantrekkelijk worden gezien, vooral vrouwen. En dat ze moeten oppassen. Voor diabetes! Voor obesitas! Voor kanker! Ik gooi het boek dicht.

Eerst las en dan hoorde ik dat zaterdagochtend een vrouw van het voetpad werd gemaaid door een beroerde chauffeur. Ze was op slag dood.
Ik dacht: hé, mijn leeftijd. Op mijn leeftijd kan je ’s ochtends opstaan, douchen, ontbijten, naar de dierenarts gaan, en dan gewoon sterven.
Aan het eind van de dag ontgrendel ik mijn telefoon, open Facebook en zie daar een foto van een blonde vrouw, uitgelaten lachend. Erboven heeft iemand geschreven: slaap zacht.
Ik besef onmiddellijk: ik ken deze vrouw, ik heb nog met haar in de auto gezeten. En op café. En in de klas. Zij heeft nog bij mijn vriend en mij op de achterbank gezeten, toen ze na een examen niet thuis geraakte.
Ik scroll door de commentaren en ontdek: dit is de vrouw van vanochtend. Zij was het die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was. En die mijn leeftijd had.

Vol bewondering zit ik te kijken naar het blonde meisje naast mij, dat al babbelend in één vlotte beweging en met één hand haar grote Volvo achterwaarts in de krappe plaats langs een drukke straat parkeert. Ze knipoogt: servostuur.
We zijn twintig, en ik heb nog geen rijbewijs. We zitten samen in de klas, zijn niet echt vriendinnen, maar kunnen het goed met elkaar vinden. Ik kijk een beetje op naar haar rebelse trekjes en het gemak waarmee ze door het leven lijkt te navigeren. In de klas zit ze schuin rechts voor mij.

Dertig jaar later zit ik op de bijrijdersstoel in een verder lege auto. Zij zit niet meer achter haar servostuur. En ze zit niet meer op de achterbank, en mijn vriend zit ook niet meer achter zijn stuur.

Dat ik los ben van de wereld, zo was zijn diagnose. De wereld waar ik me één mee voel.
Ik vraag mij af hoe iemand mij zò niet kan zien.

Donderdag, 15 september 2022

Ik ontmoette een vrouw met mijn grootste angst in haar naam. Ze sprak over zweethutten en ayahuasca en krachtdieren. Ze vroeg: durf je jezelf te tonen? Zou men dat pikken?

Veel mensen denken dat ze het ene kunnen zeggen, en het andere doen, en dat dat dan verborgen blijft. De jeuk rond mijn nieuwe oog wordt steeds ondraaglijker.
Op het internet zoek ik naar een opleiding tot sjamaan. Wanneer ik ergens lees dat een van de opdrachten om na twee jaar te kunnen slagen is: ‘drie dagen en drie nachten in een bos doorbrengen zonder voedsel’, klik ik snel de pagina weg.

Ditmaal wordt de leeskring geleid door een leeuw op sandalen. Hij zit hoog op een tafel, iets buiten de kring, onder een felle plafondlamp. Zijn woeste gele haren omringen een gezicht dat altijd lacht en zegt: ik hou van mensen. Het geeft me de toestemming om lelijk te zijn en toch niet te worden afgewezen.
Door de open deur hoor ik zachte regen op de hete straat vallen. Buiten is het donker, binnen veel te licht.
De groep is een beetje wild vanavond. Er zijn drie nieuwe leden, drie vrouwen (drie heksen). De leeuw vraagt hoe het komt dat er bijna geen mannen zijn. In de groep rond de tafel zit de andere, stiller dan wanneer hìj leidt. Beide mannen hebben lange haren.
Een van de nieuwe vrouwen zegt: ik ben nooit vrolijk. Alsof ze meedeelde dat ze morgen naar de winkel moet. Een andere begint te zeuren over de walgelijke borsjtsj die de Oekraïense mensen die ze opving haar voorzetten.
Pas nog had ik het er met iemand over dat vrouwen er moeilijk in slagen een groep te betreden zonder hun hart al bij de deur uit te storten. Wat de reden van bijeenkomst ook is.
Praten is een gelijkmaker. Een zuiverend ritueel.
De leeuw lacht: ik hou van boeken met een hoek af. Later op de avond zal hij bekennen dat hij tijdens het lezen ezelsoren vouwt. We trekken een gezamenlijk gezicht van afschuw.

Ook zonder opleiding of beangstigende opdrachten treed ik elke dag wel een paar keer buiten de tijd. Dat gebeurt op de trap (zowel die naar boven als die naar beneden), in de tunnel onder de spoorweg dicht bij mijn huis, en in de ‘dangling pose’. Wanneer mijn dode bovenlichaam slap langs mijn opgespannen benen hangt, loopt alle tijd via mijn kruin naar buiten. Als zachte regen op warm asfalt.

Een half jaar geleden kocht ik in een wanhoopsbui een petroleumblauw fluwelen Nijntje, dat er hopelijk in zou slagen mijn slapeloosheid ’s nachts op te zuigen.
Helaas, Nijn stelt teleur. Hij staat daar maar, naast mijn hoofdkussen.
Toen de vrouw die ik onlangs leerde kennen me vroeg welk dier mijn krachtdier zou kunnen zijn, had ik geen idee. Maar nu begint het me te dagen: mijn krachtdier is een stoffen konijn.

Dinsdag, 6 september 2022

Op tv zag ik een vrouw boos tegen een luchthavenbediende roepen: ‘Jij bent een slecht mens vanbinnen! Door mensen zoals jij gaat de wereld naar de haaien!’ De bediende had een te groot formaat van handbagage vriendelijk geweigerd. Ze deed niet meer dan haar job.
Nadien, voor de camera, verbeet ze haar tranen.

In een schip van de Washington State Ferries ligt altijd een grote legpuzzel op een tafeltje aan het raam. Mensen die meevaren leggen stukjes bij, zonder dat ze ooit de complete puzzel te zien krijgen, of de reizigers die eraan meehielpen. Wie het laatste stukje legt, begint een nieuwe en vervolgt zijn reis.

In de grote regenwaterton in zijn droge tuin, vond mijn vader op een warme ochtend een verdronken eekhoorn.

Wanneer ik de dienster het metalen trapje naar het terras zie afkomen met in haar handen een blad met daarop twee dampende cappuccino’s, weet ik dat ze dadelijk de inhoud van een van de koppen in de schoot van een klant zal gieten. Ik zie het aan de lichte, nauwelijks waarneembare aarzeling van haar voeten tussen tredes drie en vier. Ik wacht tot ik het achter mij hoor gebeuren.

Mijn man schuift behoedzaam een beleefd blaadje papier onder de ruitenwisser van de auto die op ons gazon geparkeerd staat. Weer iets wat wij niet begrijpen.
Een half uur later snerpt de deurbel. Daar staat een man te briesen van verontwaardiging. Hij heeft toch zeker wel het recht om op ons gras te parkeren. Ik hoor mijn man sussen, uitleggen, kalmeren, zoeken naar begrip, maar de aanval gaat maar door. Je zou denken dat we de auto met een sleutel hebben bewerkt.
Ik wil me ermee gaan bemoeien, maar mijn man duwt me zacht weg. Ik weet wel dat hij het best kan zalven, en dat mijn boosheid nu niet helpt. Terug in de woonkamer hoor ik de brieser nog steeds tekeergaan. Hij stelt zich voor als een buur van wat verderop, pocht dat hij met niemand in de buurt ruzie heeft (dan moet het wel aan ons liggen, met onze gevoeligheidjes en ons gazonnetje dat volgens hem niet van ons is). Met niemand! Nu ja, behalve dan met zijn naaste buur, maar dat is dan ook een marginaal.
Ik hoor mijn man verzekeren dat ook hij geen ruzie wil, en het geheen-en-weer gaat zo nog even door. De man kalmeert eindelijk, ik hoor hem beloven zijn wagen niet meer in onze tuin achter te laten. Er wordt wat gelachen, nog net geen amicale schouderkloppen uitgedeeld, afscheid genomen.
Wanneer mijn man in een wolk van opluchting de woonkamer binnenkomt, moet hij mij nog even beloven me niet meer zo weg te duwen, en daarna nemen we ons ‘Karels Crypto’-boekje ter hand en buigen ons over crypto nummer 57.

Op tv zie ik Kiki, een zestienjarig meisje met uitgezaaide kanker overal, nadenken over de vraag ‘Hoe denk je dat de dood zal zijn?’
‘Ik ben bang dat ik terecht zal komen in een zwarte kamer waar niets is, en dat ik dan niet zal weten wat ik moet doen’, is haar antwoord. Binnen in mij huilt het.
Wanneer Kiki in een volgende aflevering van deze realityserie overlijdt, komen mijn tranen naar buiten. Even later komt mijn man de woonkamer binnen, ziet mijn verdriet en neemt me in zijn armen. Hij vraagt waarom ik huil.
‘En om Mike moest je nièt huilen?’, plaagt hij. We lachen.
Mike was namelijk de vorige avond òòk gestorven. En ook al was Mike mijn favoriete personage in een serie die we keken, en had ik na de aflevering gedaan alsof ik om hem treurde, hij was fictie.

Iemand plaatste een piramide van seleniet onder mijn bed, om me te beschermen tijdens mijn slaap.
Overdag loop ik langzaam door het huis met de koshi bells. Ze klinken elke dag anders.
Soms denk ik aan Kiki. Ik hoop dat ze niet in een donkere kamer zit.

Man met meisje

Ik lig op een dun matje op een open plek in het bos. Rondom mij liggen zeven anderen in een halve cirkel, ook op matjes op het klamme gras. Het is half tien ’s avonds, maar nog niet donker. Ik ruik gras, muggenlotion. Wanneer ik mijn ogen open, zie ik muggen kriskras door elkaar vliegen, maar ze wagen zich niet door het schild dat ik aanbracht. Hoger dan de muggen, veel hoger, beweegt een vliegtuig, niet groter dan een mug, zich langzaam en geluidloos door de blauwe lucht. Ik merk het alleen maar op doordat het blinkt in het zonlicht. Zonlicht dat de aarde al niet meer bereikt.
Sara heeft gevraagd de ogen te sluiten, mogelijk ben ik de enige die kijkt. Het vliegtuig met mijn ogen volgend, kom ik helemaal tot rust.
Tussen de bomen rond ons klinken dierengeluiden, dichtbij en ver weg. Vogels, gekraak, geritsel. In de verte gaat een specht tekeer. Ik zou hier elke avond willen liggen.

Wanneer ik die nacht wakker word, denk ik aan het rustgevende bos. Ik stel me voor hoe de plek waarop ik enkele uren geleden yogales had, er nu bijligt. Het gras nog wat plat van de matjes, alles donker nu, misschien een beetje verlichting van de maan, het dierenrumoer luider. Geen mens te bekennen. Ook niet om te zien wat daar gebeurt.

Met vier zitten we onder de grote, nieuwe parasol op ons terras. We eten de pastasalade met garnaal die ik heb gemaakt, het weer is niet te koud en ook niet te warm. De fusilli zijn perfect al dente.
Het gesprek komt op kruipkelders. Mijn vader zegt: wij hadden er vroeger ook een, hè. ‘Ja,’ antwoord ik met een glimlach, ‘die kelder waar je me een keer naartoe sleurde, mijn broer er huilend achteraan omdat we allebei zo bang waren voor die ruimte.’
Ik zie zijn gezicht veranderen. ‘Dat kan ik me niet herinneren’, zegt hij onzeker. En, zachter: ‘Dat is niet waar.’ Ik reageer lachend: ‘Ik zal stout geweest zijn, zeker.’ We hebben het snel over iets anders.
Die avond komt alles weer boven. Broer en ik ruziënd, ouders boos. Met vader de trap af, huilend, sneller dan mijn voeten kunnen volgen. Broer er achteraan, ook huilend, smekend. Uit plaatsvervangende angst, maar ook uit schuldgevoel, want hij was de aanstoker (maar ik de oudste). En hoe ik op het laatste nippertje dan toch niet dat kleine groene deurtje werd doorgeduwd.

De vader onder de parasol is niet de vader van de kelder. Hier zit een fragiele, ietwat gebogen man die gespaard moet worden. Hij zal er niet zo erg lang meer zijn, en dan ga ik hem missen. Ik zou daar nu al om kunnen huilen. Toch slaag ik er niet in hem vast te grijpen, hier te houden, te denken: nù, nù, nù!
Mijn ouders gaven me onlangs een oud fotoalbum. Het gaat over onze jeugd, toont vier mensen die ik niet ken. Een jonge slanke sterke man. Een jonge slanke zorgelijke vrouw. Een dochter. Een zoon. De kinderen kunnen nog alle kanten op.
Er zijn foto’s in allerlei combinaties. Man met meisje. Man met jongen. Vrouw met jongen. Vrouw met meisje. Man met vrouw. Meisje met jongen.
Op een van de foto’s houdt de man het meisje en de jongen stevig vast bij hun handen. Hij trekt de handen zo hoog de lucht in, dat oksels bijna scheuren. Ook al staan de jongen en het meisje in twee millimeter zeewater, toch wil de man hen behoeden voor de verdrinkingsdood.
Dit is niet de man die met twee huilende kinderen voor het kleine groene deurtje staat.
Daar staat een vader die nog alles kan. Wilde tochten met de slee door de achtertuin. Het monster onder het grote deken dat met joelende kinderen op zijn rug over de meubels kruipt. De man die onderaan de trap staat en je aanmoedigt je in zijn gespreide armen te laten vallen. In deze wereld is alles nog veilig, hier blijft het groene deurtje gesloten.

Na het dessert gaan ze weer naar huis. Ik loop met hen mee naar hun fietsen aan de zijkant van het huis, zie twee smalle ruggen weggaan, een beetje tegengehouden door de ouderdom.
Het zal een van de laatste keren zijn, dat weggaan. Daarna blijven alleen herinneringen over. Eenzijdige. En er zal niemand meer zijn om ze te ontkennen.

Boys of Summer

Op tv hoor ik toevallig ‘Boys of Summer’ van Don Henley, een lied van lang lang geleden, van toen ik nog een meisje was. Ook al deed dat lied mij destijds weinig, nu raakt het me vol in de maag.
Om een of andere reden doet het pìjn, maakt het me melancholisch, een karaktertrek die ik jaren geleden opzijgeschoven heb, omdat volwassen worden nu eenmaal ontnuchterend werkt.

Ik luister er opnieuw naar op YouTube, en weer is daar die pijn, bijna onverdraaglijk.
Heb ik weggestopte herinneringen bij dat lied? Is er iets gebeurd toen ik erbij opgroeide?
YouTube herinnert zich mijn jeugd beter dan ik en toont in de rechterkolom enkele vergeelde clips.
Echo and the Bunnymen. The Cure. Tears for Fears. Duran Duran. Human League. A Flock of Seagulls. Alphaville.
Ik klik het zeemzoete ‘Save a Prayer’ van Duran Duran aan en herinner me hoe iedereen het had voor gladde zanger Simon le Bon, terwijl ik stiekem viel voor de met zwarte kohl omringde ogen van basgitarist John Taylor. Mannen die hun ogen schminkten, maakten zichzelf meteen een stuk aantrekkelijker. Zelfs mijn toenmalige lief begon op mijn subtiele aanraden rond te lopen met een lijntje onder zijn ogen. Zijn moeder vond het maar niks, zijn vader werd boos, ik kwam iets dichter in de buurt van verliefdheid.
De jongen die vòòr hem kwam, had al zwartgemaakte ogen toen ik hem leerde kennen, en een punkkapsel vol zeep. Hij rook frisser dan van een new waver kon worden verwacht. Na veertien dagen besefte ik dat zwart omrande ogen nu ook weer niet àlles goedmaakten.
Enkele jaren geleden zag ik hem tijdens het spitsuur uitgeblust onderuit hangen op de treinbank schuin voor mij. Ik vond geen herkenning in zijn doffe ogen. Zijn haren lagen plat.

Maar het was ook wel zo, dat ik altijd meer geïntrigeerd was door de schaduwfiguren in bands.
Andrew Ridgeley van Wham. Curt Smith van Tears for Fears. Stevie Nicks van Fleetwood Mac. Anna LaCazio van Cock Robin.
Oké, die laatste trok vooral mijn aandacht omwille van haar asymmetrische kapsel dat ik ook wou, maar toch.

En dan komt de ‘Boys of Summer’ clip plots ruw ten einde. Als een zeer oude draad die wordt afgebroken. Of een verleden dat wordt stopgezet.
Ik klik alle openstaande YouTube-pagina’s weg en lach naar mezelf in het zwarte scherm.

Dreef der Gedachtenis

In caso di nebbia

Dit is een hoek van de begraafplaats aan de Viale Rimembranze in Crone, nabij het Idromeer in Italië. Dreef der Gedachtenis.
Bijna vier jaar geleden schreef ik hierover, in mijn allereerste post in deze blog, het volgende:

En dan het dode meisje. Achter het kerkje in Crone volgde ik een weg, omboord met zwart-witfoto’s van wereldoorlogshelden, die naar een begraafplaats leidt waar bloemen overheersen. Roze, geel, rood; ze verstikken de graven, verbergen de urnenwanden. Ik zocht daar naar het recentste graf, een verse dode. Bij een urnennis met daarvoor drie vetplantjes zakte ik door mijn knieën, om zo de foto te kunnen bekijken van de Italiaanse schone met weelderig krullende haren. Dat zo’n schoonheid verloren was gegaan, trof me. Ik blijf haar gezicht voor me zien, maar verder wou ik niets laten doordringen, omdat ik al voorvoelde dat ze me zou achtervolgen. Geen naam, geen exacte leeftijd (ik herinner me alleen dat ze ergens in de jaren ’90 was geboren), ik heb nièt de liefdesbrief gelezen die erbij lag, ik heb geen foto van het graf genomen, ik ben er de dagen erna niet naar teruggekeerd. Alleen de sterfdatum (13-05-2014) en het gezicht.
En in de auto op weg naar huis voel ik me dus triest om dat meisje over wie ik niets weet. Omdat ze gestorven is. Omdat er zo veel sterft.

Die Italiaanse schone is me gevolgd tot in 2018. Over twee maanden zal ze vier jaar dood zijn.
Ik heb nu spijt dat ik geen foto nam van haar graf. Haar naam, haar foto met het gezicht dat ik inmiddels vergeten ben (ik zie alleen rosse krullen), de liefdesbrief verpakt in plastic. Ik denk niet dat die er nog ligt, maar ik hoop het wel.
Vanochtend moest ik plots aan haar denken, zomaar, zonder aanleiding. Of toch een die niet te achterhalen valt. Ik dacht: ik ga haar zoeken op google streetview. Haar zo dicht benaderen als ik kan.
Ik typte de plaats Crone in de zoekbalk, vond er nog moeiteloos mijn weg, arriveerde met een paar klikken in de Viale Rimembranze, kwam noodgedwongen tot een halt vòòr de, nochtans openstaande, poort aan de hoofdingang van de begraafplaats. Via een zijweg, die ik wel kon betreden, bereikte ik de achterkant van de plaats, waar ik mij ook een poort herinnerde. Die was zowel in 2014 als op de foto dicht.

Ik herinner mij hoe ik diep op de begraafplaats was doorgedrongen, ik was er alleen en het was er zo stil, de bergen hoog en onoverkomelijk rondom mij. En toen kwamen er drie in het zwart geklede vrouwen door de poort die inmiddels ver achter me lag, ze naderden en liepen me voorbij, zonder naar mij te kijken. Ze praatten niet. En toen ik even na hen een hoek omliep, waren ze weg. Ook al was het kleine stuk achteraan, voorbij die hoek, met lange rijen urnennissen, erg overzichtelijk. Het kon niet anders of ze waren door de achterpoort weer weggegaan. Ik voelde aan de poort, maar die was op slot. En toen werd die stilte zo zwaar, dat ik mijn hart hoorde kloppen. Het enige levende hart daar.

Dus daar op de foto, achter dat zwarte hek, het hoekje om naar links, ter hoogte van de drie vuilniscontainers, staat onderaan tegen de grond de urne van het mooie meisje. Een meisje zo heel erg mooi dat je je nauwelijks kan voorstellen dat zij zou doodgaan.
Alleen, zag ik toen pas, is zij er nog niet op deze foto. Hij werd genomen in ‘sep. 2011’. Zij is dan nog aan het leven. Nog tweeëndertig maanden. Wellicht loopt zij daar ergens rond, mooi te wezen, zich afvragend wat ze vanavond zal dragen voor het feest. Zich nog van geen kwaad bewust. Misschien kent ze de briefschrijver, die om haar zal gaan treuren, nog niet.

Ik sluit de foto weer, en ook mijn gedachten over haar. Misschien duikt ze over enkele jaren opnieuw op in een stukje. Als ik er dan nog ben.

Storm

In de stad waait het hard. Om geen zand achter mijn contactlenzen te krijgen, knijp ik mijn ogen tot spleetjes en haak mijn arm door die van mijn man, opdat ik nergens tegenaan bots.
Op een ijspiste op het water schaatsen kinderen tussen boxen waaruit vreselijke muziek komt. Hun moeders schuifelen door de winkels wat verderop, tussen rekken vol opengeplooide koopjes. De bezwete verkoopsters hebben het allang opgegeven alles achter hun rug weer te fatsoeneren. Stofjes voelen, wasetiketten zoeken, gokken naar de juiste maat want in de pashokfile verlies je tijd.
Het zijn beelden die ik ken van het journaal, want zelf heb ik er nog nooit aan meegedaan.
Wij, wij gaan een iets te gezonde salade eten, met grotendeels onbekende, mysterieus klinkende ingrediënten. En een stuk ouderwetse appel-kaneeltaart toe, om het weer goed te maken. Dat gezonde, welteverstaan, want wij hebben geen ruzie.

Aan de tafel naast de onze zitten een vader en zijn zoon van een jaar of elf. Ik vang flarden van hun gesprek op. Of eerder: van de manier waarop ze met elkaar praten, en die bevalt mij.
Een vader-zoondag. Of ze hebben de moeder met rode wangen achtergelaten tussen stapels verfrommelde truitjes en rokken. Misschien zelfs zonder dat zij dat doorhad.
Ze kunnen bijpraten nu. Over zaken waar ze thuis nooit aan toekomen. De vader is groot en knap, de zoon rustig en ongedwongen. Geen schaatser. Ik ben blij met hen naast ons.
Wanneer we opstappen, twijfel ik er even over om mijn chocolaatje-bij-de-koffie aan de jongen te geven, maar ik laat het toch maar op de tafel liggen.
Soms voel ik die aandrang, om zomaar iets te doen voor een kind dat ik tof vind. Zoals dat meisje dat ik enkele dagen geleden nariep, toen ze weghuppelde van onze voordeur, een zak snoep heen en weer slingerend boven haar buik. Ze huppelde op gouden sneakers, en die schitterden zo boven de natgeregende kasseien op het pad, dat ik mezelf hoorde roepen: wat een mooie schoenen, zeg!
Ze draaide zich om met een brede glimlach en riep blij terug: danku! En toen werd ik ook heel blij en wou ik dat ik haar dubbel zoveel snoep had gegeven. Ik wil geloven dat ze haar gouden schoenen nu eens zo graag aantrekt.

Weer in de stad vol wind, probeert mijn man de blinde aan zijn arm slinks voorbij een boekenwinkel te leiden, maar boeken vind ik met mijn neus.
Van de twee titels die ik zoek, vind ik er slechts één. Ik speur even naar rollende ogen of een zucht, maar niks. Dat geeft me voldoende moed voor een impulsaankoop, maar ook dan nog geen heb-je-nog-niet-genoeg-signalen. (Ik ben gewend mijn boeken stiekem te kopen, de stapels in huis stiekem te laten groeien, mijn man af en toe eens te laten zuchten wanneer hij geconfronteerd wordt met een uitpuilende BILLY, en hem dan van al die prachtboeken te laten genieten nadat ik ze gelezen heb.)
Bij het verlaten van de winkel zucht ik: toch jammer dat ze die brieven van Sylvia Plath niet hadden. Zodat hij weet dat ik dan wel twee nieuwe aanwinsten heb, maar dat het toch geen onverdeeld succes was, en ik niet nòg triestiger hoef te worden gemaakt met eventuele opmerkingen. Over de boekenwinkel wat verderop, waar ze die brieven ongetwijfeld verkopen, zwijg ik maar.

De storm drijft ons langs de onvermoeibare schaatsertjes en al even onvermoeibaar blèrende muziek richting parkeergarage.
Het duurt even vooraleer mijn man kan betalen aan de automaat. Achter hem staat een andere man te wachten, ik sta wat verderop. Ik voel dat de wachtende man naar me kijkt, en kijk in een reflex ook naar hem. Ik glimlach beleefd, zoals ik dat bij iedereen doe. Hij glimlacht niet terug, blijft staren. Ik kijk weg, voel hem nog steeds staren. Ik heb spijt van mijn glimlach, wil hem terug.
Mijn man staat nog steeds te wachten tot zijn ticket wordt aanvaard, weet niets van wat er achter zijn rug gaande is. Ik schuifel wat verder bij de starende man vandaan, dieper de garage in. Ik denk: hij ziet er nochtans normaal uit, niet iemand waar ik op het eerste gezicht bang voor zou zijn. Een ietwat saaie, netjes geklede man van middelbare leeftijd met een bril voor bijziendheid. Die nu naar huis wil na zijn jaarlijks controlebezoek bij de tandarts, om daar de kerstboom af te breken.
Hij ziet er niet angstwekkender uit dan de man die vorige week achter mij zat in de concertzaal, en mij bij aankomst zo vriendelijk hielp met het verwijderen van de talrijke lange blonde haren die op mijn stoel waren achtergelaten door een voorganger.
De automaat maakt eindelijk een geruststellend geluid, en mijn man en ik dalen de trap af. Ik kijk niet achterom.
Bij het verlaten van de garage vertel ik hem over het voorval. Hij stuurt de auto zwijgend door een bocht, steil omhoog, en daarna het grote gapende gat daglicht in.

Wanneer we de stad uitrijden, denk ik terug aan hoe ik hier een jaar of zevenentwintig geleden dagelijks te voet ging, langs deze drukke weg, tussen bushalte en school, en ’s avonds in de andere richting. Het was een heel eind, elke dag. Ik was dan ook blij dat ik soms ’s avonds mocht meerijden met de auto van de vader van een klasgenote. Zij woonden in hetzelfde dorp als ik, en zetten me dan af aan mijn fiets die ik ’s ochtends aan de bushalte had achtergelaten.
Het hele gezin zat dan in die kleine sputterende wagen. Vader, moeder, klasgenote, en de vuilwitte stinkende poedel die luisterde naar de naam Molleke, en die tijdens het rijden slobberend zijn drinkbakje ledigde dat tussen mijn voeten heen en weer gleed in de bochten.
Ik veronderstel dat de vader het soms te vol vond daar, met mij erbij, want ik bespeurde steeds vaker ongenoegen bij hem wanneer hij me samen met zijn dochter de school zag uitkomen.
Soms nam ik dan maar de bus, maar wie weet interpreteerde hij dat als ‘we zijn niet goed genoeg voor haar’, want vanaf toen liet hij me soms gewoon staan daar aan de school. Dan zag ik de klasgenote bij de laatste bel de klas uitspurten en haar nog net het autootje in verdwijnen wanneer ik buitenkwam.
Erg vond ik dat niet, buiten die ene keer toen ik bij aanvang van de kerstvakantie door de natte sneeuw die hele tocht naar de bushalte moest afleggen, en daar uren bibberend heb staan wachten op een bus die maar niet kwam.
Daar denk ik aan wanneer we naar huis rijden door de storm, en ik ruik dat stinkende, slobberende Molleke weer helemaal.

’s Avonds, in ons winddichte huis, open ik mijn mail en ontdek een boekenbon. Van mijn man. Voor de brieven van Sylvia Plath.

Wegwerp-tv

Enkele avonden geleden kreeg mijn man telefoon. Ik hoorde hem dingen zeggen als ‘o’ en ‘oei’ en ‘tja’, en hij klonk daarbij zo somber, dat ik meteen vermoedde dat het om een sterfgeval ging. Dat vermoeden werd bevestigd toen ik hem even later hoorde zuchten: ‘Tja, niks aan te doen dan, hè. Hij zal zijn jaren wel gehad hebben, zeker.’
Maar enfin, zo oneerbiedig, dacht ik nog, maar toen ik hem zich hoorde herpakken met: ‘Dan zullen wij gauw eens langskomen om hem te vervangen’, begon het mij te dagen dat dat sterfgeval weleens zou kunnen duiden op de tv die we onlangs naar de winkel hadden gebracht met een knipperend stand-bylampje.
En jawel, hoor. Zoals we al hadden gevreesd, bestaan er inmiddels geen vervangonderdelen meer voor ons toestel, dat de leeftijd van een jaar of vijf moet hebben gehaald. Na het wegwerpfototoestel, de wegwerp-tv.

Zo kwam het dat wij ons gisteren naar de winkel begaven voor een nieuw exemplaar. Hetzelfde merk, ondanks de korte levensduur, omdat dat bekendstaat als ‘het beste’, en ook het beste op het gebied van klank. En beeld, voegde de verkoper nog toe.
Ofwel gaan de andere merken dus nog sneller stuk, ofwel hadden wij pech. Zoals we ook al pech hadden met ons vorige tv-toestel (van een ander merk), en zoals ik ook al pech had met mijn fototoestel, dvd-speler, iPod, iPhone, …

In de winkel dus. Nadat we uitgediscussieerd waren over het benodigde aantal inches, en ik mijn man ervan had kunnen overtuigen dat we meer inches nodig hadden dan ons pas ter ziele gegane toestel had, omdat we binnenkort naar een huis met een ruimere woonkamer verhuizen, haalden we er een verkoper bij.
Wat ik apprecieer bij een verkoper van producten waar ik zelf weinig kennis van heb, is dat hij een beetje zelfzeker een bepaalde richting uitgaat, zonder opdringerig te zijn. Je weet wel, doen alsof HIJ dat bepaald toestel zou kopen om die en die reden. Of zijn uitleg klopt of waarheidsgetrouw is, maakt mij allemaal niet zoveel uit, want ik zal dat toch nooit ontdekken. En ik zal blij zijn met en overtuigd van mijn keuze, omdat mij dus is verteld (door een specialist ter zake!) dat dat de beste was.
De persoon die ons gisteren in de winkel hielp, was, hoewel erg vriendelijk en welwillend, echter niet zo’n verkoper. Hij bevestigde wel wat wij ‘gehoord’ hadden over dat ‘beste merk’, dat was inderdaad een heel goede keuze, maar verder drentelde hij wat voor ons uit tussen de toonzaalmodellen, nu eens het ene, dan weer het andere aanwijzend, zonder dat ik goed het verschil begreep en mijn man daar ook met een – voor mij toch – zichtbaar vraagteken boven zijn hoofd rondliep.
Hij had slechts twee vragen voor ons: of we ambilight wilden, en of we een zwarte dan wel donkergrijze omkadering wensten. Bij beide vragen keken zowel hij als mijn man naar mij. Alsof ik het vrouwtje was dat alleen interesse heeft in de kleur van de wagen.
Toen de verkoper er even een folder bij ging halen, fluisterde ik tegen mijn man: ik zou verkopers die een bodywarmer dragen toch niet zo vertrouwen, hoor, tenzij je ze in een boomkwekerij aantreft.
Ze dragen hier allemaal van die bodywarmers, antwoordde hij. Het was er inderdaad fris.

Enfin, we hebben onze nieuwe tv, konden hem al meteen meenemen. Er stonden er veertien in het magazijn. Dat moet wel met zo’n korte levensduur.
Het is er een met een mooie rand en ambilight. Meer moet dat niet zijn.

Slaap

Ik lig tussen pas gewassen lakens, warmte heeft zich gelijkmatig over mijn hele lichaam verspreid, het dons rust licht op mij. Ik word slaperig, herstel moeizaam van het niet kunnen slapen.
Mijn aandacht gaat vanzelf naar mijn voetzolen en dat maakt me rustig. Ze geven een grens aan. Ik hoef me maar te bekommeren tot daar. Alles tussen mijn gedachten en voetzolen heb ik onder controle, voor nu dan toch.
Mijn lichaam ligt zwaar op de pas omgekeerde matras, ik zak weg in mezelf. Ik zal het glas water en de pil naast mijn bed niet nodig hebben vannacht. Alles gaat goed.

De wekker toont een uur later dan daarnet, ik weet niet of ik geslapen heb. Dat wil zeggen dat ik geslapen heb, zij het licht.
Ik ga naar het toilet, ook al ben ik met dorst gaan slapen. Terug in bed kruipt dat onbestemde, angstige gevoel in mijn lijf. Ik ben kapot van die twee minuten uit bed. Het lichaam dat rechtop kwam, zich noodgedwongen moest herschikken. Alle organen erin, het bloed.
De gedachten, de onverklaarbare angst opeens, het bewust zijn. Mijn voetzolen zijn weg.
Ik lig in het donker, denkend aan ik. Het voelt alsof ik met z’n tweeën ben. Ik probeer die tweede te vangen, maar zij glipt telkens weg zodra ik naar haar kijk. Het topje van mijn neus is koud.
Ik probeer te denken aan de oerknal, en wat daaraan vooraf ging, maar besef al gauw dat er zonder tijd geen vooraf is. Ik raak in de war en half in slaap en ik droom.
Mijn moeder lacht gemeen naar mijn jongere ik en roept: ik haat u ik haat u ik haat u ik haat u!
Ik weet dat ik helemaal alleen ben nu en het in mijn eentje zal moeten redden. Ze bevestigt wat ik altijd al wist, toch ben ik bang. Onnoemelijk bang.
Ik glip in een andere nachtmerrie, en daarna in weer een andere. Ik word wakker in een nat slaapshirt met op de voorzijde in scherpe, zelfzekere letters: ‘Paris’. Het is kwart voor vijf. Buiten ploft een hoop sneeuw van het dak.

Ik lees in het witte boekje op mijn nachtkastje. De titel is ‘Wit’, en het gaat over witte dingen. Ook over sneeuw.
Na een uur ben ik nog steeds niet slaperig, maar toch knip ik het licht uit en wacht.

Harde poppen

Als kind kreeg ik harde poppen
die roken naar erwten en verlating.
Met hun dikke enkels en priemende vingertjes,
het onnatuurlijk glanzende haar
dat in trosjes uit de roze koppen groeide.
Starende ogen, blind voor kinderleed.

Wat ik wou, was een zachte beer.
Zo een om tegen je buik te drukken
en te aaien, eindeloos.
Dus pikte ik de ijsbeer van mijn kleine broer.
Hij keek er toch niet naar om.
Hij – de beer – was bevroren in zithouding,
zijn witte pootjes staken vooruit in een hou-mij-vast
maar duwden tegelijk elke toenadering van zich af.
Maanden zat hij op mijn bed te zitten,
’s nachts kroop hij onhandig tegen me aan.
Toen riep broer: van mij!
Vanaf dan sliep ik weer met een koude buik.

Ik werd een buikpijnkind.
Trok op met een van de poppen,
de enige met een naam.
Ik noemde haar Simonneke,
naar de oppas van mijn broer.
(Want zij was een lieve.)
Ook al waren Simonnekes haren lang en blond,
en die van Simonne kort en zwart.
Ik kamde, vlocht, maakte staarten,
kamde de glans eraf.
En trok ondertussen, zo vaak ik kon,
het strakke elastiek van mijn onderbroek
van mijn pijnlijke buikje af.

Toen de ijsbeer in de kast
al lang was vergeten
en de broer met punkkapsel en ratten sliep,
begon hij mij in onze woonkamer te slaan.
Vanuit de keuken luisterde de moeder.

(Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen en/of poppen berust op louter toeval.)

2d4041ae99329237e9770f4981300a5d