Het jaar dat ik in Antwerpen woonde

Het jaar dat ik in Antwerpen woonde
achttien en student
Engels en Italiaans
een prachtig appartement met glas in lood en open haard
gevonden in Kerk & Leven
Rita met haar honderden oorbellen op de zolder
een poster van de Golden Gate Bridge over de hele muur
zij zei: ik heb in Zwitserland gewoond als au pair
en ook in Amerika
en toen hoorden we de klokken van de Antwerpse kathedraal
– het was vijf uur.

Het eerste wat ik als student deed
was een trouwring kopen bij een jood.
Een trouwring voor mezelf.
Omdat ik vanaf nu van mij zou zijn
toch in de eerste plaats.
(Ik draag hem nog steeds. Onafgebroken.)

Ik lag op de lila deken die de huisbazin voor mij had gemaakt,
van dezelfde stof als de gordijnen,
en keek naar het hoge, witte plafond met rozet.
Onder mij verraadde de plastic beschermhoes
krakend wat van mij werd verwacht.
Ondanks de advertentie in Kerk & Leven.
Door de kieren in de houten vloer kwamen soms zachte flarden voetbal naar boven.
Zelf luisterde ik naar The Cure en Olivia Newton John, op cassettes die ik van iemand had gekregen.

Ik kreeg er bezoek van Elsy die plots een Jehovah’s Getuige was geworden,
en mij overlaadde met een bijbel met flinterdunne blaadjes met uitsparingen voor de vingers
en tijdschriften vol kleurrijke tekeningen van juichende mensen.
Ze had haar man, die ik niet kende, meegebracht en beiden zaten,
op de lila kussens op een bankje naast de haard,
een uur lang verheugd te praten over het bouwen van een nieuwe koninkrijkszaal.
Dat was de laatste keer dat ik Elsy zag. Ze was te verheugd geworden voor mij.

Verder kreeg ik er nog bezoek van een verboden man met een roos in zijn hand.
Ook hij toonde zich verheugd, maar geraakte niet verder dan een zithouding op mijn krakende matras met al zijn kleren aan. Ik gaf hem een compliment over zijn zachte armen, hij zei dat hij niet van lila hield.
Een vriendin van enkele straten verder kwam langs met twee handgranaten in haar tas. Ze bood me er een aan tegen stoute mannen ’s nachts op straat, maar ik zei dat ik me wel zou redden zonder.
Er deden verhalen de ronde over aanranding verkrachting moord, maar die overkwamen altijd anderen.
Mijn moeder, die kwam ook nog op bezoek, die ene keer, toen ze begon te krijsen bij de drie kitscherige schaaltjes op de schouw die ik eens gratis had gekregen bij een lippenstift van yves rocher. Ze zag er asbakjes in, blijkbaar, en daarom in mij een rookster.

Ik vermagerde tijdens dat jaar, omdat ik mijn eetbudget besteedde aan een natuurstenen schaakbord met vilten lapjes onder de stukken (ik kon niet schaken, het diende enkel om af te stoffen) dat ik vond in het naar patchouli ruikende winkeltje om de hoek, en
aan te dure laarzen en handtassen
aan boeken
aan prullen die ik niet nodig had.
Op restaurant at ik een half bevroren pizza waar ik niks van durfde te zeggen, terwijl ik voor het eerst ‘Where is my mind’ van Pixies hoorde, uit het crappy boxje boven mijn tafel.

Op school vond ik niet echt iemand om mee op te trekken.
Nu eens de ene, dan weer de andere.
Een constante was echter Ann (het kan ook An geweest zijn), die zich na zowat elke pauze op een stoel naast de mijne liet zakken,
om dan met een rokersadem waar ik misselijk van werd
over haar honden te vertellen.
Op een dag kwam ik een aula binnen, en daar had iemand met grote dramatische letters ‘Roy Orbison is dood’ op het bord geschreven.

IMG_1470

Het stokken van de adem

Wat ik me, dertien jaar later, plots afvraag is:
als je je kind op een seconde tijd wil redden van de dood
hoort dat stokken van de adem dan geen oerkreet te zijn?

Het was door die hapering, zo stil maar onbeheerst, dat ik in het leven bleef
maar toen ik met mijn intacte hoofd op dat zwarte stoeltje zat te beven
en niemand daarnaar durfde te kijken
dacht ik: dit kon niet de bedoeling zijn.
Dat het zo moest gaan.
De stille zucht de woede het vluchten na de ramp.
Beef jij nu maar alleen.

En toen werd ik naar een andere plaats gebracht
het leek wel voorgoed
door de vage vriend die me eens had proberen te kussen op een eerste afspraak en toen emotioneel werd en zei: mijn moeder gaat zò blij zijn als ik daar met iemand als jij aankom.
Die dag, de dag van het bijna sterven, voerde hij me in zijn rammelende bestelwagen met Sixteen Horsepower uit het dashboard, mijn meubels achterin.
Hij rook altijd een beetje naar boerderij maar niet nu.
Nu was hij praktisch en reddend, ook al waren we even groot en hij enkele maanden jonger.
Hij was een winterman.
En ik zat daar te leven, hoog boven de weg, en David Eugene Edwards maakte me gelukkig.

Hier was eens

Hier was eens de trap naar een kelder. Er bovenop stond een huis.
Wie er in dat huis woonde, weet ik niet. Misschien ging Julia wel de trap af om een van haar bokalen zelfgemaakte rabarberconfituur te halen. Of ging ze er schuilen tijdens onweer. Of stiekem huilen na een ruzie met Gust.
Misschien had Gust er zijn werktafel vol schroefjes en hamers. Of zijn collectie blote meisjes. Of zijn voorraad aardappels en bakken bier. Of misschien ging hij er wel eens afkoelen op zwoele zomeravonden, zat hij er in zijn bezwete onderhemd na te denken over het leven.

Ik fiets hier vaak voorbij. Heb gezien hoe het huis langzaamaan verdween. Tergend traag werd afgebroken, zoals een lusteloze kleuter dat doet met zijn legohuis.
Een halve voorgevel bleef nog wekenlang staan, met glas in het raam en daarachter een gordijntje dat bewoog in de wind. Alsof niemand de moed vond om de klus af te maken.
Uiteindelijk verdween ook die laatste muur, en toen was daar enkel nog een kuil met een dalende trap naar een donker keldergat.
Achteraan het perceel, tussen het puin, is nu een moestuin zichtbaar. Met frisse kroppen sla. En boontjes. Soms zie ik er een man staan wieden.

De kuil raakt beetje bij beetje gevuld met aarde. Als een graf. De opening naar de kelder is verdwenen, boomwortels dringen zich op.
Op het graf liggen geen bloemen, maar een samengeknepen blikje frisdrank.

IMG_1265

Wendy

Begin jaren tachtig. We leerden hen kennen aan onze tafel in de schoolachtige refter van het vakantiedomein aan zee, terwijl rondom ons de hele tijd piepende metalen karretjes vol eten werden voortgeduwd door mollige moekes.
Hij: een lookalike van prins Charles van Engeland, die we onder ons dan ook al gauw ‘Charles’ noemden. (Een gezin moet zijn samenhorigheidsgevoel èrgens vandaan halen.) Zij: een goedlachse en praatgrage vrouw (die in niets op Diana leek).
De dochter: twee jaar jonger dan ik en gelijkend op mij in twee opzichten: we droegen onze haren in een hoge paardenstaart, en we waren meisjes. De zoon: een nog aan middagdutjes verknochte vlasblonde peuter die graag al eens naar mij spuwde in de lift, wanneer zijn zus en ik hem slechtgehumeurd uit zijn slaap waren komen wegtrekken op bevel van de ouders.

Op het domein waren uiteraard ook nog andere kinderen, maar verder dan een hoenoemdegij met een zekere Anouk, die zich na mijn kennismakingspoging op de schommel in de speeltuin nogal abrupt van me had verwijderd om wat verderop de hoge glijbaan te gaan beklimmen, was ik niet geraakt.
Lekker makkelijk, moet ons gezin hebben gedacht bij die eerste lunch met toegewezen plaatsen, toen er naast ons een evenveelkoppig gezin neerstreek met allemaal leden van matchende geslachten en leeftijdsklassen. Ook al hadden de ouders dan verder niets gemeen met de onze – zo werd al snel duidelijk – en torsten hun kinderen namen eindigend op ‘y’.

Maar goed, we trokken een week lang met elkaar op, gingen samen wandelen en zwemmen, namen stijf geposeerde foto’s van elkaar, speelden in de liften (de kinderen), troefden elkaar af met minigolf (de volwassenen).
Bij het afscheid werden telefoonnummers uitgewisseld, beloftes voor logeerpartijtjes.
Nog diezelfde zomervakantie ging ik een week naar hen. Ik sliep op een hard veldbed naast Wendy’s bed, we vulden raadselboekjes van Jommeke in, giechelden tot diep in de nacht. Ik vond het er warm (maar niet alleen door de zomer) en gezellig en wou dat ik er kon blijven wonen, ondanks die rare Charles.
Hij en zijn vrouw namen ons mee naar het Zilvermeer en daar was ik bij het omkleden na het zwemmen plots mijn broekje kwijt en ik raakte wat in paniek, durfde niemand iets te zeggen.
Met onaangenaam blote billen onder mijn rokje ging ik op zoek, vond het terug in het warme zand waar het spottend lag te roepen ‘kijk naar mij!’, en ik schaamde me zo en liep snel de hele weg terug om het in de kleedkamer aan te trekken en toen was ik zo opgelucht dat ik wel had kunnen huilen.
Wendy en ik wilden nog in een trapbootje, maar telkens we de loketbediende gingen vragen hoe lang de wachttijd nog was, deed die er een kwartier bij. Onze schouders zakten bij elke aftocht wat dieper, en toen zei Wendy’s mama: maar lieverds toch, jullie hadden bij de bootjes moeten blijven wachten. En toen moesten we naar huis, maar Charles stopte onderweg nog voor een ijsje.

Het jaar erop kwam Wendy bij ons logeren. Ze sliep in mijn bed; voor mij pompte mijn moeder de luchtmatras op en daarom werd ik boos.
Mijn ouders namen ons mee naar Averbode. Daar reden Wendy en mijn broer op pony’s. Ik mocht niet van mijn moeder, want ik was net twaalf geworden en aan de pony-ingang hing een bord: ‘tot 12 jaar’. Wendy (die zwaarder was dan ik) en mijn broer staken, telkens ze voorbij kwamen gehobbeld, lachend hun hand op. Ik probeerde erg om niet te huilen.
Wat later wou ik zò graag op de trampolines. Achter een net waren er wel twintig, met daarop joelende kinderen met haren recht op hun hoofd. Mijn moeder zei: dat vind ik te duur. Maar je mag wel even blijven kijken.
En of ik Wendy’s verblijf niet zo wou verpesten, met mijn onhebbelijk gedrag. Ik was tenslotte de oudste. Ja, dat had ik wel gemerkt, bij de pony’s.

Wendy bleef nog enkele dagen, maar er stond een moeder tussen ons in.
Toen ik even alleen in mijn kamer was, en van beneden stemmen hoorde komen die klonken als die van een moeder en haar dochter, kon ik het niet laten om in Wendy’s half geopende logeertas te kijken. Bovenop haar kleren lagen grote pakken maandverbanden en tampons, in allerlei maten. Ongeopend, want zij was een kind van tien. Zelf was ik daar, op mijn twaalfde, nog helemaal niet mee bezig. Ik wou op pony’s rijden en op trampolines springen.
Die dagen wou ik soms dat ik Wendy was, zelfs met die ‘y’ achteraan. Bezorgder om het onverwacht vrouw worden dan om een verloren broekje op het strand.
Terwijl ik ’s nachts lag te dobberen op mijn matras, in een veel te warme slaapzak, leek mijn bed vanop de grond gezien leeg. Alsof ik er zelf ook nooit in had gelegen.

67trampoline01

Struikelen

Ik werd wakker, half drie, ging naar het toilet en tijdens dat kleine wandelingetje door het stille, donkere huis moest ik plots denken aan wie daar ooit zal lopen, wanneer ik er niet meer ben. En of die persoon ook zo’n wakker hoofd zal hebben als ik (weinig kans), of zich ’s nachts gewoon kan bezighouden met slapen.

Maar nu ben ik er nog en om dat te voelen, rende ik de volgende dag – ongehoorzaam, ongezien – vier keer een minuut tijdens mijn wandeling, te midden van pisbloemen en de zware geur van koeienstront.
Het was een lange rechte betonnen weg met hier en daar een tractorwielafdruk in zand, de lucht vol pluis. Ik kon het einde niet zien, maar wist wel dat het er was en dat stelde gerust.
Ik rende tot ik mijn hart kon voelen, de benen een last die diende te worden meegesleept. Ik had gehoopt te zullen zweven, van stappen meteen in de runner’s high. In de plaats daarvan trok ik een bh-bandje op een schouder, veegde een haarlok uit mijn mond, spuwde een vliegje uit.
Een koe lachte me uit, een boer fietste krakend en nors voorbij. Maar ik, ik leefde nog en had een lichaam wakker gemaakt.

Ik werd wakker, half vijf, en begon te twijfelen over een grapje dat ik op facebook had gemaakt. Of het misschien ongepast was. Of er niet iemand was die daar over zou struikelen.
En toen dacht ik aan al die mensen die al over mij gestruikeld zijn, zonder dat ik dat zelf in de hand had. En hoe het ’s nachts het hoofd is dat moet worden meegesleept en niet zwaar genoeg op het kussen wil liggen. Een hoofd dat maar niet verdrinken kan.
Ik verwijderde het grapje en toen sliep ik toch nog in en droomde dat ik wakker was, en ik was licht als de pluis van een paardenbloem.

IMG_1201

Verhalen

In ‘The Faraway Nearby’ heeft Rebecca Solnit het over de verhalen waarmee we ons leven opbouwen. Ons leven dat een verzameling is van verhalen die we voor realiteit zien.
Alleen door er op die manier naar te kijken, zijn we in staat te lachen met het drama rondom ons.

De vriendin die me tussen twee slokken muntthee vertelt dat haar man eindelijk heeft toegestemd in een cruise langs de Noorse fjorden, maar dan wel de goedkoopste kajuit wil. En hoe haar moeder telkens weer verzucht dat ze het niet erg zou vinden mocht hààr man er niet meer zijn.
De andere vriendin die nooit klaagt over haar pijn van elke dag en geduldig wacht tot haar lief heeft beslist of hij zijn kankerbehandeling zal voortzetten of niet. Ze zegt: soms denkt mijn vader dat ik mijn zus ben, maar als ik hem dan verbeter, dan weet hij het weer.
De onbekende die me zomaar vertelt over de drie zelfmoordpogingen van haar man.
De uitgever die me mailt: niet goed genoeg.
De vriend die me aanmoedigt hem een sein te geven wanneer ik wil ontsnappen.

Ik knip de zoveelste verdorde bloem uit het potje ranonkels op de vensterbank. De eerste bloemen waren prachtig, de volgende gaven het steeds sneller op. Hoe nauwgezet ik me ook bezighoud met hun verzorging en bijna letterlijk het advies op de pot, half zon half schaduw, opvolg en hem de hele namiddag kleine stukjes verschuif op de vensterbank, met de zon mee.
De verdroogde bleekpaarse bloem knispert tussen mijn vingers en verdwijnt tussen de appel- en bananenschillen in het bakje onder de gootsteen.
Er staan alweer twee nieuwe knopjes, vol belofte, te wachten op hun kans.

IMG_1186

Voetgangers, los op

We hangen boven onze lachwekkend grote ijsbollen met warme chocolade, waarmee we de salade van daarnet proberen goed te maken, en ik zeg: zo’n oude vriendschap als de onze, soms heb ik dat nodig. De vertrouwdheid, het elkaar nog gekend hebben op de speelplaats met linten in het haar en later als zestienjarigen met ons vaste groepje op zaterdagavond. De tomatensoep om middernacht in een decor van gehaakte tafelkleedjes en vergeelde oudevrouwengordijnen onder het biljartzaaltje tegenover ons café.
Ik zeg haar dat ik genoeg heb van mensen met holle woorden, en we maken meteen een nieuwe afspraak voor volgende week. De derde week op rij al. We testen alle dame blanches van de streek.
Omdat de kelner mij negeerde, geef ik geen fooi. Wellicht merkt hij me nu pas op.
Even later fietsen we voorbij ons café van vroeger. Op het terras zit een volledig vernieuwde generatie. Toen wij daar zaten, bestond zij nog niet. Het gebouw kreeg een facelift.
Het biljarthuis annex café aan de overkant werd jaren geleden afgebroken. Nu staat er een hippe tent, die intussen ook al niet meer zo hip is.
Mijn vriendin zegt: ik herinner me ze niet meer, de gehaakte kleedjes, de gele gordijnen. Maar wèl hoe soms een biljartbal op de houten vloer boven onze hoofden viel en dan nog wat verderrolde.

De volgende dag wandel ik door het dorp waar ik sinds enkele jaren woon, door zijn pas vernieuwde hoofdstraat. Nog gesloten voor het publiek, nog onder een dikke laag zand.
Plots kan ik niet meer verder, het voetpad houdt gewoon op. Een felrood fietspad neemt het bruusk over. Alsof men zegt: voetgangers, los op. Of: vecht het maar uit met de fietsers.
Ik ben beide. Soms de ene, soms de andere. Ik weet dat hier veel kinderen wandelen en fietsen, vlakbij is een school.

De wereld rondom mij verandert en verandert maar, wordt stilaan onherkenbaar. Ik blijf altijd dezelfde. Ik voel het gladde witte lint rond de paardenstaart van mijn vriendin, proef de scherpe tomatensoep in het oubollige café onder biljarters die nu nergens meer zijn, sta de eerste zaterdagavond na mijn zestiende verjaardag om tien voor acht op mijn vriendinnen te wachten vòòr een discotheek waar de ene na de andere ruige en al wat oudere hardrocker naar binnen gaat, en allemaal groeten ze vrolijk en een beetje flirtend dat verlegen meisje dat een stoere gezichtsuitdrukking probeert te vinden, allemaal verheugen ze zich op de nacht die nog moet beginnen.

IMG_1164