Spil

Vandaag zou de dag worden waarop ik naar de Aldi fietste om een pot lavendel te kopen voor in de tuin.
Die gebeurtenis zou de spil zijn waarrond de rest van mijn leven zich afspeelt. Rond de aankoop van deze pot lavendel tolt al het andere. Dat wat is geweest en dat wat nog zal komen.
Mijn oude dag. Het negende verjaardagsfeestje van een klasgenootje waar ik niet bij aanwezig was omdat ik er thuis geen melding van had gemaakt uit angst er niet naartoe te zullen mogen. De trouwring die ik voor mezelf kocht. Het wachten op de bus na het tweewekelijkse zwemmen met de klas, terwijl we toekeken hoe Hildes natte vlechten steeds grotere vlekken maakten op haar jas. Het sterven van de vrienden, een voor een. De val van de trap die ik maakte. De boeken die ik zal wegdoen. Het stroeve schuiven van mijn eerste breiwerkje (een knalgele sjaal) over de klamme naalden, in een klaslokaal vol getik. De mensen die ik zal teleurstellen. De vlinder die op mijn vinger kwam zitten terwijl de tuinsproeiers rondom mij regenboogjes maakten. De soep van dennennaalden die ik maakte in een emmertje met een eend op. Mijn voorlaatste adem.

Ik fietste dus naar de Aldi, een beetje zwetend ook al was het nog ochtend, maar deze dagen is de wereld zwaar en zwoel. Soms ging de zon even weg, en dan werd ik blij. Ooit las ik dat mensen met straatvrees zich veiliger voelen onder wolken. Omdat de afstand naar boven dan verdwijnt. En wolken zacht zijn om onder te schuilen.
Ik zag een rond bord met een rode rand eromheen en in het midden een acrobatisch plassende hond. Even later een karton tegen een omheining met daarop in zwarte stift: ‘wie voedert mij toch steeds??’ De ezel op de wei deed alsof hij van niets wist.
Ik moest zomaar denken aan de man bij wie ik vorige week vijf pakken granola kocht en die beleefd was maar niet hartelijk, waardoor ik dacht: misschien vindt hij dat ik te veel granola koop en ziet hij op tegen het bijbestellen straks. En niet voor het eerst viel me op hoe hard hij op Samson lijkt, de tv-hond. Maar het kan natuurlijk ook best zijn dat hij gewoon niet hartelijk ìs. En dat zijn vrouw de bestellingen doet.
Ondertussen fietste ik verder. Nu eens door zon, dan weer door schaduw. Een autobestuurder schrok toen ik mijn voorrang nam. Een kraai vloog laag over mijn hoofd.
Ik kwam voorbij de foto van de dode schooljongen; hij wordt maar niet ouder. Onder de foto lag een nieuw knuffeldier, de hortensia’s ernaast waren verdroogd.
Ik naderde de spil van mijn leven: de donkergrijze parking van de Aldi. Bij het oprijden ervan flitsten de twee dichtregels van Jan Emmens, die me nu al een paar dagen bezighouden, door mijn hoofd. “het is de zee die zich beweegt / alsof hij niets is dan alleen maar water.” Ik ontweek gezwind een wandelaar die verstrooid de parking overstak.

Ik heb er twee gekocht. Twee potten lavendel. Geheel impulsief.
Voor elke fietstas één.
Ik zie ze staan, van hieruit, op het terras.
Ze draaien dieppurper rond de zon.

IMG_1666

En ik wil

Jij hebt het over mijn perfecte benen en ik wil je vertellen over hoe ik door de straten van Merano liep en dacht: nu is het aan mij. En me breed maakte voor de tegen mij opbotsende mensen die desondanks tegen me bleven opbotsen.
En hoe ik na vier dagen van zesendertig graden begon te huilen in die dikke, stugge lucht, die mijn longen niet meer in geraakte. Ook al zag ik de glimmende vrouwen avond na avond die lucht met hun waaiers doorklieven in het hotelrestaurant, toch voelde ik me anders. Ik lepelde mijn gloeiend hete soep naar binnen zonder dat iemand iets aan me zag.

Jij zegt: als jij dat wil, ben ik helemaal van jou. Maar ik begrijp dat niet, hoe iemand helemaal van mij zou kunnen zijn. Of hoe iemand mij helemaal zou willen. Hoe dat dan in zijn werk gaat.
En ik wil je herinneren aan die man die dood wou gaan om mij, en me enkele dagen geleden na jaren van stilte plots liet weten dat hij me nog altijd mist en graag ziet. En hoe ik dat zo niet begrijp, zijn beeld van mij waar ik allang niets meer mee te maken heb, dat ik me maar verstop.
En dat het altijd de verkeerden zijn.

Je zegt dat ik zo mooi was op het perron, maar ik was daar helemaal niet. Ook al voelde ik wel hoe jij me platdrukte onder mijn dunne zomerjurk, speciaal gekocht.
En ik wil dat je begrijpt dat ik er veel meer ben in mijn geschreven woorden. Waar jij zo slordig gaten tussen maakt. Of geil mijn benen tussen schuift.
En ik wil je zeggen dat ik enkele dagen geleden tijdens een lange autorit bij het horen van Abba’s Eagle tegen mijn tranen moest vechten omdat ik besefte dat ik nog steeds dezelfde ben als het kind dat zich onverwacht heel triest begon te voelen bij dat lied, lang geleden tijdens een eenzaam moment op een feest. Omdat ik het toen plots wist, allemaal.

Ik stuur je een foto van mijn slaapkleed boven billen, of van mijn billen onder slaapkleed, en ga naar bed zonder op je reactie te wachten.

Op een balkonnetje

Ik realiseerde me plots dat ik me hier nog geen enkele keer had afgevraagd: bèn ik hier wel? En dat de dagen een waas zijn waarin gisteren en enkele dagen geleden zomaar in elkaar overlopen, en dat de enige constante de verschuivende stand van de zon is.
Hoe het ochtendlicht, het middaglicht, de avondschaduwen telkens weer hetzelfde zijn, en ook hoe de nacht razendsnel over het dal schuift. Alsof ik in een kom zit waar iemand voorzichtig een deksel overheen legt.
En dan lijkt het daar beneden een kerstboom vol lichtjes, en kan je je voorstellen dat dat hele dal misschien ooit een reusachtige rivier was, of er ooit een zal worden.
En dan sta ik, dat kleine mensje in een oogwenk van een leven, daar tegen die griezelig onbeweegbare helling, op een balkonnetje vol bloedrode geraniums, te genieten van het gemurmel dat opstijgt uit de diepte onder mij. De minigebouwtjes, de autoclaxonnetjes, de legoboompjes, het speelgoedstationnetje, het dreinerige gejengel van een ambulance.
En dan besef ik pas wat een zonde het is dat ik er het grootste deel van die oogwenk niet ben.

IMG_1500

Het jaar dat ik in Antwerpen woonde

Het jaar dat ik in Antwerpen woonde
achttien en student
Engels en Italiaans
een prachtig appartement met glas in lood en open haard
gevonden in Kerk & Leven
Rita met haar honderden oorbellen op de zolder
een poster van de Golden Gate Bridge over de hele muur
zij zei: ik heb in Zwitserland gewoond als au pair
en ook in Amerika
en toen hoorden we de klokken van de Antwerpse kathedraal
– het was vijf uur.

Het eerste wat ik als student deed
was een trouwring kopen bij een jood.
Een trouwring voor mezelf.
Omdat ik vanaf nu van mij zou zijn
toch in de eerste plaats.
(Ik draag hem nog steeds. Onafgebroken.)

Ik lag op de lila deken die de huisbazin voor mij had gemaakt,
van dezelfde stof als de gordijnen,
en keek naar het hoge, witte plafond met rozet.
Onder mij verraadde de plastic beschermhoes
krakend wat van mij werd verwacht.
Ondanks de advertentie in Kerk & Leven.
Door de kieren in de houten vloer kwamen soms zachte flarden voetbal naar boven.
Zelf luisterde ik naar The Cure en Olivia Newton John, op cassettes die ik van iemand had gekregen.

Ik kreeg er bezoek van Elsy die plots een Jehovah’s Getuige was geworden,
en mij overlaadde met een bijbel met flinterdunne blaadjes met uitsparingen voor de vingers
en tijdschriften vol kleurrijke tekeningen van juichende mensen.
Ze had haar man, die ik niet kende, meegebracht en beiden zaten,
op de lila kussens op een bankje naast de haard,
een uur lang verheugd te praten over het bouwen van een nieuwe koninkrijkszaal.
Dat was de laatste keer dat ik Elsy zag. Ze was te verheugd geworden voor mij.

Verder kreeg ik er nog bezoek van een verboden man met een roos in zijn hand.
Ook hij toonde zich verheugd, maar geraakte niet verder dan een zithouding op mijn krakende matras met al zijn kleren aan. Ik gaf hem een compliment over zijn zachte armen, hij zei dat hij niet van lila hield.
Een vriendin van enkele straten verder kwam langs met twee handgranaten in haar tas. Ze bood me er een aan tegen stoute mannen ’s nachts op straat, maar ik zei dat ik me wel zou redden zonder.
Er deden verhalen de ronde over aanranding verkrachting moord, maar die overkwamen altijd anderen.
Mijn moeder, die kwam ook nog op bezoek, die ene keer, toen ze begon te krijsen bij de drie kitscherige schaaltjes op de schouw die ik eens gratis had gekregen bij een lippenstift van yves rocher. Ze zag er asbakjes in, blijkbaar, en daarom in mij een rookster.

Ik vermagerde tijdens dat jaar, omdat ik mijn eetbudget besteedde aan een natuurstenen schaakbord met vilten lapjes onder de stukken (ik kon niet schaken, het diende enkel om af te stoffen) dat ik vond in het naar patchouli ruikende winkeltje om de hoek, en
aan te dure laarzen en handtassen
aan boeken
aan prullen die ik niet nodig had.
Op restaurant at ik een half bevroren pizza waar ik niks van durfde te zeggen, terwijl ik voor het eerst ‘Where is my mind’ van Pixies hoorde, uit het crappy boxje boven mijn tafel.

Op school vond ik niet echt iemand om mee op te trekken.
Nu eens de ene, dan weer de andere.
Een constante was echter Ann (het kan ook An geweest zijn), die zich na zowat elke pauze op een stoel naast de mijne liet zakken,
om dan met een rokersadem waar ik misselijk van werd
over haar honden te vertellen.
Op een dag kwam ik een aula binnen, en daar had iemand met grote dramatische letters ‘Roy Orbison is dood’ op het bord geschreven.

IMG_1470

Het stokken van de adem

Wat ik me, dertien jaar later, plots afvraag is:
als je je kind op een seconde tijd wil redden van de dood
hoort dat stokken van de adem dan geen oerkreet te zijn?

Het was door die hapering, zo stil maar onbeheerst, dat ik in het leven bleef
maar toen ik met mijn intacte hoofd op dat zwarte stoeltje zat te beven
en niemand daarnaar durfde te kijken
dacht ik: dit kon niet de bedoeling zijn.
Dat het zo moest gaan.
De stille zucht de woede het vluchten na de ramp.
Beef jij nu maar alleen.

En toen werd ik naar een andere plaats gebracht
het leek wel voorgoed
door de vage vriend die me eens had proberen te kussen op een eerste afspraak en toen emotioneel werd en zei: mijn moeder gaat zò blij zijn als ik daar met iemand als jij aankom.
Die dag, de dag van het bijna sterven, voerde hij me in zijn rammelende bestelwagen met Sixteen Horsepower uit het dashboard, mijn meubels achterin.
Hij rook altijd een beetje naar boerderij maar niet nu.
Nu was hij praktisch en reddend, ook al waren we even groot en hij enkele maanden jonger.
Hij was een winterman.
En ik zat daar te leven, hoog boven de weg, en David Eugene Edwards maakte me gelukkig.

Hier was eens

Hier was eens de trap naar een kelder. Er bovenop stond een huis.
Wie er in dat huis woonde, weet ik niet. Misschien ging Julia wel de trap af om een van haar bokalen zelfgemaakte rabarberconfituur te halen. Of ging ze er schuilen tijdens onweer. Of stiekem huilen na een ruzie met Gust.
Misschien had Gust er zijn werktafel vol schroefjes en hamers. Of zijn collectie blote meisjes. Of zijn voorraad aardappels en bakken bier. Of misschien ging hij er wel eens afkoelen op zwoele zomeravonden, zat hij er in zijn bezwete onderhemd na te denken over het leven.

Ik fiets hier vaak voorbij. Heb gezien hoe het huis langzaamaan verdween. Tergend traag werd afgebroken, zoals een lusteloze kleuter dat doet met zijn legohuis.
Een halve voorgevel bleef nog wekenlang staan, met glas in het raam en daarachter een gordijntje dat bewoog in de wind. Alsof niemand de moed vond om de klus af te maken.
Uiteindelijk verdween ook die laatste muur, en toen was daar enkel nog een kuil met een dalende trap naar een donker keldergat.
Achteraan het perceel, tussen het puin, is nu een moestuin zichtbaar. Met frisse kroppen sla. En boontjes. Soms zie ik er een man staan wieden.

De kuil raakt beetje bij beetje gevuld met aarde. Als een graf. De opening naar de kelder is verdwenen, boomwortels dringen zich op.
Op het graf liggen geen bloemen, maar een samengeknepen blikje frisdrank.

IMG_1265

Wendy

Begin jaren tachtig. We leerden hen kennen aan onze tafel in de schoolachtige refter van het vakantiedomein aan zee, terwijl rondom ons de hele tijd piepende metalen karretjes vol eten werden voortgeduwd door mollige moekes.
Hij: een lookalike van prins Charles van Engeland, die we onder ons dan ook al gauw ‘Charles’ noemden. (Een gezin moet zijn samenhorigheidsgevoel èrgens vandaan halen.) Zij: een goedlachse en praatgrage vrouw (die in niets op Diana leek).
De dochter: twee jaar jonger dan ik en gelijkend op mij in twee opzichten: we droegen onze haren in een hoge paardenstaart, en we waren meisjes. De zoon: een nog aan middagdutjes verknochte vlasblonde peuter die graag al eens naar mij spuwde in de lift, wanneer zijn zus en ik hem slechtgehumeurd uit zijn slaap waren komen wegtrekken op bevel van de ouders.

Op het domein waren uiteraard ook nog andere kinderen, maar verder dan een hoenoemdegij met een zekere Anouk, die zich na mijn kennismakingspoging op de schommel in de speeltuin nogal abrupt van me had verwijderd om wat verderop de hoge glijbaan te gaan beklimmen, was ik niet geraakt.
Lekker makkelijk, moet ons gezin hebben gedacht bij die eerste lunch met toegewezen plaatsen, toen er naast ons een evenveelkoppig gezin neerstreek met allemaal leden van matchende geslachten en leeftijdsklassen. Ook al hadden de ouders dan verder niets gemeen met de onze – zo werd al snel duidelijk – en torsten hun kinderen namen eindigend op ‘y’.

Maar goed, we trokken een week lang met elkaar op, gingen samen wandelen en zwemmen, namen stijf geposeerde foto’s van elkaar, speelden in de liften (de kinderen), troefden elkaar af met minigolf (de volwassenen).
Bij het afscheid werden telefoonnummers uitgewisseld, beloftes voor logeerpartijtjes.
Nog diezelfde zomervakantie ging ik een week naar hen. Ik sliep op een hard veldbed naast Wendy’s bed, we vulden raadselboekjes van Jommeke in, giechelden tot diep in de nacht. Ik vond het er warm (maar niet alleen door de zomer) en gezellig en wou dat ik er kon blijven wonen, ondanks die rare Charles.
Hij en zijn vrouw namen ons mee naar het Zilvermeer en daar was ik bij het omkleden na het zwemmen plots mijn broekje kwijt en ik raakte wat in paniek, durfde niemand iets te zeggen.
Met onaangenaam blote billen onder mijn rokje ging ik op zoek, vond het terug in het warme zand waar het spottend lag te roepen ‘kijk naar mij!’, en ik schaamde me zo en liep snel de hele weg terug om het in de kleedkamer aan te trekken en toen was ik zo opgelucht dat ik wel had kunnen huilen.
Wendy en ik wilden nog in een trapbootje, maar telkens we de loketbediende gingen vragen hoe lang de wachttijd nog was, deed die er een kwartier bij. Onze schouders zakten bij elke aftocht wat dieper, en toen zei Wendy’s mama: maar lieverds toch, jullie hadden bij de bootjes moeten blijven wachten. En toen moesten we naar huis, maar Charles stopte onderweg nog voor een ijsje.

Het jaar erop kwam Wendy bij ons logeren. Ze sliep in mijn bed; voor mij pompte mijn moeder de luchtmatras op en daarom werd ik boos.
Mijn ouders namen ons mee naar Averbode. Daar reden Wendy en mijn broer op pony’s. Ik mocht niet van mijn moeder, want ik was net twaalf geworden en aan de pony-ingang hing een bord: ‘tot 12 jaar’. Wendy (die zwaarder was dan ik) en mijn broer staken, telkens ze voorbij kwamen gehobbeld, lachend hun hand op. Ik probeerde erg om niet te huilen.
Wat later wou ik zò graag op de trampolines. Achter een net waren er wel twintig, met daarop joelende kinderen met haren recht op hun hoofd. Mijn moeder zei: dat vind ik te duur. Maar je mag wel even blijven kijken.
En of ik Wendy’s verblijf niet zo wou verpesten, met mijn onhebbelijk gedrag. Ik was tenslotte de oudste. Ja, dat had ik wel gemerkt, bij de pony’s.

Wendy bleef nog enkele dagen, maar er stond een moeder tussen ons in.
Toen ik even alleen in mijn kamer was, en van beneden stemmen hoorde komen die klonken als die van een moeder en haar dochter, kon ik het niet laten om in Wendy’s half geopende logeertas te kijken. Bovenop haar kleren lagen grote pakken maandverbanden en tampons, in allerlei maten. Ongeopend, want zij was een kind van tien. Zelf was ik daar, op mijn twaalfde, nog helemaal niet mee bezig. Ik wou op pony’s rijden en op trampolines springen.
Die dagen wou ik soms dat ik Wendy was, zelfs met die ‘y’ achteraan. Bezorgder om het onverwacht vrouw worden dan om een verloren broekje op het strand.
Terwijl ik ’s nachts lag te dobberen op mijn matras, in een veel te warme slaapzak, leek mijn bed vanop de grond gezien leeg. Alsof ik er zelf ook nooit in had gelegen.

67trampoline01