Boys of Summer

Op tv hoor ik toevallig ‘Boys of Summer’ van Don Henley, een lied van lang lang geleden, van toen ik nog een meisje was. Ook al deed dat lied mij destijds weinig, nu raakt het me vol in de maag.
Om een of andere reden doet het pìjn, maakt het me melancholisch, een karaktertrek die ik jaren geleden opzijgeschoven heb, omdat volwassen worden nu eenmaal ontnuchterend werkt.

Ik luister er opnieuw naar op YouTube, en weer is daar die pijn, bijna onverdraaglijk.
Heb ik weggestopte herinneringen bij dat lied? Is er iets gebeurd toen ik erbij opgroeide?
YouTube herinnert zich mijn jeugd beter dan ik en toont in de rechterkolom enkele vergeelde clips.
Echo and the Bunnymen. The Cure. Tears for Fears. Duran Duran. Human League. A Flock of Seagulls. Alphaville.
Ik klik het zeemzoete ‘Save a Prayer’ van Duran Duran aan en herinner me hoe iedereen het had voor gladde zanger Simon le Bon, terwijl ik stiekem viel voor de met zwarte kohl omringde ogen van basgitarist John Taylor. Mannen die hun ogen schminkten, maakten zichzelf meteen een stuk aantrekkelijker. Zelfs mijn toenmalige lief begon op mijn subtiele aanraden rond te lopen met een lijntje onder zijn ogen. Zijn moeder vond het maar niks, zijn vader werd boos, ik kwam iets dichter in de buurt van verliefdheid.
De jongen die vòòr hem kwam, had al zwartgemaakte ogen toen ik hem leerde kennen, en een punkkapsel vol zeep. Hij rook frisser dan van een new waver kon worden verwacht. Na veertien dagen besefte ik dat zwart omrande ogen nu ook weer niet àlles goedmaakten.
Enkele jaren geleden zag ik hem tijdens het spitsuur uitgeblust onderuit hangen op de treinbank schuin voor mij. Ik vond geen herkenning in zijn doffe ogen. Zijn haren lagen plat.

Maar het was ook wel zo, dat ik altijd meer geïntrigeerd was door de schaduwfiguren in bands.
Andrew Ridgeley van Wham. Curt Smith van Tears for Fears. Stevie Nicks van Fleetwood Mac. Anna LaCazio van Cock Robin.
Oké, die laatste trok vooral mijn aandacht omwille van haar asymmetrische kapsel dat ik ook wou, maar toch.

En dan komt de ‘Boys of Summer’ clip plots ruw ten einde. Als een zeer oude draad die wordt afgebroken. Of een verleden dat wordt stopgezet.
Ik klik alle openstaande YouTube-pagina’s weg en lach naar mezelf in het zwarte scherm.

Advertenties

Dreef der Gedachtenis

In caso di nebbia

Dit is een hoek van de begraafplaats aan de Viale Rimembranze in Crone, nabij het Idromeer in Italië. Dreef der Gedachtenis.
Bijna vier jaar geleden schreef ik hierover, in mijn allereerste post in deze blog, het volgende:

En dan het dode meisje. Achter het kerkje in Crone volgde ik een weg, omboord met zwart-witfoto’s van wereldoorlogshelden, die naar een begraafplaats leidt waar bloemen overheersen. Roze, geel, rood; ze verstikken de graven, verbergen de urnenwanden. Ik zocht daar naar het recentste graf, een verse dode. Bij een urnennis met daarvoor drie vetplantjes zakte ik door mijn knieën, om zo de foto te kunnen bekijken van de Italiaanse schone met weelderig krullende haren. Dat zo’n schoonheid verloren was gegaan, trof me. Ik blijf haar gezicht voor me zien, maar verder wou ik niets laten doordringen, omdat ik al voorvoelde dat ze me zou achtervolgen. Geen naam, geen exacte leeftijd (ik herinner me alleen dat ze ergens in de jaren ’90 was geboren), ik heb nièt de liefdesbrief gelezen die erbij lag, ik heb geen foto van het graf genomen, ik ben er de dagen erna niet naar teruggekeerd. Alleen de sterfdatum (13-05-2014) en het gezicht.
En in de auto op weg naar huis voel ik me dus triest om dat meisje over wie ik niets weet. Omdat ze gestorven is. Omdat er zo veel sterft.

Die Italiaanse schone is me gevolgd tot in 2018. Over twee maanden zal ze vier jaar dood zijn.
Ik heb nu spijt dat ik geen foto nam van haar graf. Haar naam, haar foto met het gezicht dat ik inmiddels vergeten ben (ik zie alleen rosse krullen), de liefdesbrief verpakt in plastic. Ik denk niet dat die er nog ligt, maar ik hoop het wel.
Vanochtend moest ik plots aan haar denken, zomaar, zonder aanleiding. Of toch een die niet te achterhalen valt. Ik dacht: ik ga haar zoeken op google streetview. Haar zo dicht benaderen als ik kan.
Ik typte de plaats Crone in de zoekbalk, vond er nog moeiteloos mijn weg, arriveerde met een paar klikken in de Viale Rimembranze, kwam noodgedwongen tot een halt vòòr de, nochtans openstaande, poort aan de hoofdingang van de begraafplaats. Via een zijweg, die ik wel kon betreden, bereikte ik de achterkant van de plaats, waar ik mij ook een poort herinnerde. Die was zowel in 2014 als op de foto dicht.

Ik herinner mij hoe ik diep op de begraafplaats was doorgedrongen, ik was er alleen en het was er zo stil, de bergen hoog en onoverkomelijk rondom mij. En toen kwamen er drie in het zwart geklede vrouwen door de poort die inmiddels ver achter me lag, ze naderden en liepen me voorbij, zonder naar mij te kijken. Ze praatten niet. En toen ik even na hen een hoek omliep, waren ze weg. Ook al was het kleine stuk achteraan, voorbij die hoek, met lange rijen urnennissen, erg overzichtelijk. Het kon niet anders of ze waren door de achterpoort weer weggegaan. Ik voelde aan de poort, maar die was op slot. En toen werd die stilte zo zwaar, dat ik mijn hart hoorde kloppen. Het enige levende hart daar.

Dus daar op de foto, achter dat zwarte hek, het hoekje om naar links, ter hoogte van de drie vuilniscontainers, staat onderaan tegen de grond de urne van het mooie meisje. Een meisje zo heel erg mooi dat je je nauwelijks kan voorstellen dat zij zou doodgaan.
Alleen, zag ik toen pas, is zij er nog niet op deze foto. Hij werd genomen in ‘sep. 2011’. Zij is dan nog aan het leven. Nog tweeëndertig maanden. Wellicht loopt zij daar ergens rond, mooi te wezen, zich afvragend wat ze vanavond zal dragen voor het feest. Zich nog van geen kwaad bewust. Misschien kent ze de briefschrijver, die om haar zal gaan treuren, nog niet.

Ik sluit de foto weer, en ook mijn gedachten over haar. Misschien duikt ze over enkele jaren opnieuw op in een stukje. Als ik er dan nog ben.

Storm

In de stad waait het hard. Om geen zand achter mijn contactlenzen te krijgen, knijp ik mijn ogen tot spleetjes en haak mijn arm door die van mijn man, opdat ik nergens tegenaan bots.
Op een ijspiste op het water schaatsen kinderen tussen boxen waaruit vreselijke muziek komt. Hun moeders schuifelen door de winkels wat verderop, tussen rekken vol opengeplooide koopjes. De bezwete verkoopsters hebben het allang opgegeven alles achter hun rug weer te fatsoeneren. Stofjes voelen, wasetiketten zoeken, gokken naar de juiste maat want in de pashokfile verlies je tijd.
Het zijn beelden die ik ken van het journaal, want zelf heb ik er nog nooit aan meegedaan.
Wij, wij gaan een iets te gezonde salade eten, met grotendeels onbekende, mysterieus klinkende ingrediënten. En een stuk ouderwetse appel-kaneeltaart toe, om het weer goed te maken. Dat gezonde, welteverstaan, want wij hebben geen ruzie.

Aan de tafel naast de onze zitten een vader en zijn zoon van een jaar of elf. Ik vang flarden van hun gesprek op. Of eerder: van de manier waarop ze met elkaar praten, en die bevalt mij.
Een vader-zoondag. Of ze hebben de moeder met rode wangen achtergelaten tussen stapels verfrommelde truitjes en rokken. Misschien zelfs zonder dat zij dat doorhad.
Ze kunnen bijpraten nu. Over zaken waar ze thuis nooit aan toekomen. De vader is groot en knap, de zoon rustig en ongedwongen. Geen schaatser. Ik ben blij met hen naast ons.
Wanneer we opstappen, twijfel ik er even over om mijn chocolaatje-bij-de-koffie aan de jongen te geven, maar ik laat het toch maar op de tafel liggen.
Soms voel ik die aandrang, om zomaar iets te doen voor een kind dat ik tof vind. Zoals dat meisje dat ik enkele dagen geleden nariep, toen ze weghuppelde van onze voordeur, een zak snoep heen en weer slingerend boven haar buik. Ze huppelde op gouden sneakers, en die schitterden zo boven de natgeregende kasseien op het pad, dat ik mezelf hoorde roepen: wat een mooie schoenen, zeg!
Ze draaide zich om met een brede glimlach en riep blij terug: danku! En toen werd ik ook heel blij en wou ik dat ik haar dubbel zoveel snoep had gegeven. Ik wil geloven dat ze haar gouden schoenen nu eens zo graag aantrekt.

Weer in de stad vol wind, probeert mijn man de blinde aan zijn arm slinks voorbij een boekenwinkel te leiden, maar boeken vind ik met mijn neus.
Van de twee titels die ik zoek, vind ik er slechts één. Ik speur even naar rollende ogen of een zucht, maar niks. Dat geeft me voldoende moed voor een impulsaankoop, maar ook dan nog geen heb-je-nog-niet-genoeg-signalen. (Ik ben gewend mijn boeken stiekem te kopen, de stapels in huis stiekem te laten groeien, mijn man af en toe eens te laten zuchten wanneer hij geconfronteerd wordt met een uitpuilende BILLY, en hem dan van al die prachtboeken te laten genieten nadat ik ze gelezen heb.)
Bij het verlaten van de winkel zucht ik: toch jammer dat ze die brieven van Sylvia Plath niet hadden. Zodat hij weet dat ik dan wel twee nieuwe aanwinsten heb, maar dat het toch geen onverdeeld succes was, en ik niet nòg triestiger hoef te worden gemaakt met eventuele opmerkingen. Over de boekenwinkel wat verderop, waar ze die brieven ongetwijfeld verkopen, zwijg ik maar.

De storm drijft ons langs de onvermoeibare schaatsertjes en al even onvermoeibaar blèrende muziek richting parkeergarage.
Het duurt even vooraleer mijn man kan betalen aan de automaat. Achter hem staat een andere man te wachten, ik sta wat verderop. Ik voel dat de wachtende man naar me kijkt, en kijk in een reflex ook naar hem. Ik glimlach beleefd, zoals ik dat bij iedereen doe. Hij glimlacht niet terug, blijft staren. Ik kijk weg, voel hem nog steeds staren. Ik heb spijt van mijn glimlach, wil hem terug.
Mijn man staat nog steeds te wachten tot zijn ticket wordt aanvaard, weet niets van wat er achter zijn rug gaande is. Ik schuifel wat verder bij de starende man vandaan, dieper de garage in. Ik denk: hij ziet er nochtans normaal uit, niet iemand waar ik op het eerste gezicht bang voor zou zijn. Een ietwat saaie, netjes geklede man van middelbare leeftijd met een bril voor bijziendheid. Die nu naar huis wil na zijn jaarlijks controlebezoek bij de tandarts, om daar de kerstboom af te breken.
Hij ziet er niet angstwekkender uit dan de man die vorige week achter mij zat in de concertzaal, en mij bij aankomst zo vriendelijk hielp met het verwijderen van de talrijke lange blonde haren die op mijn stoel waren achtergelaten door een voorganger.
De automaat maakt eindelijk een geruststellend geluid, en mijn man en ik dalen de trap af. Ik kijk niet achterom.
Bij het verlaten van de garage vertel ik hem over het voorval. Hij stuurt de auto zwijgend door een bocht, steil omhoog, en daarna het grote gapende gat daglicht in.

Wanneer we de stad uitrijden, denk ik terug aan hoe ik hier een jaar of zevenentwintig geleden dagelijks te voet ging, langs deze drukke weg, tussen bushalte en school, en ’s avonds in de andere richting. Het was een heel eind, elke dag. Ik was dan ook blij dat ik soms ’s avonds mocht meerijden met de auto van de vader van een klasgenote. Zij woonden in hetzelfde dorp als ik, en zetten me dan af aan mijn fiets die ik ’s ochtends aan de bushalte had achtergelaten.
Het hele gezin zat dan in die kleine sputterende wagen. Vader, moeder, klasgenote, en de vuilwitte stinkende poedel die luisterde naar de naam Molleke, en die tijdens het rijden slobberend zijn drinkbakje ledigde dat tussen mijn voeten heen en weer gleed in de bochten.
Ik veronderstel dat de vader het soms te vol vond daar, met mij erbij, want ik bespeurde steeds vaker ongenoegen bij hem wanneer hij me samen met zijn dochter de school zag uitkomen.
Soms nam ik dan maar de bus, maar wie weet interpreteerde hij dat als ‘we zijn niet goed genoeg voor haar’, want vanaf toen liet hij me soms gewoon staan daar aan de school. Dan zag ik de klasgenote bij de laatste bel de klas uitspurten en haar nog net het autootje in verdwijnen wanneer ik buitenkwam.
Erg vond ik dat niet, buiten die ene keer toen ik bij aanvang van de kerstvakantie door de natte sneeuw die hele tocht naar de bushalte moest afleggen, en daar uren bibberend heb staan wachten op een bus die maar niet kwam.
Daar denk ik aan wanneer we naar huis rijden door de storm, en ik ruik dat stinkende, slobberende Molleke weer helemaal.

’s Avonds, in ons winddichte huis, open ik mijn mail en ontdek een boekenbon. Van mijn man. Voor de brieven van Sylvia Plath.

Wegwerp-tv

Enkele avonden geleden kreeg mijn man telefoon. Ik hoorde hem dingen zeggen als ‘o’ en ‘oei’ en ‘tja’, en hij klonk daarbij zo somber, dat ik meteen vermoedde dat het om een sterfgeval ging. Dat vermoeden werd bevestigd toen ik hem even later hoorde zuchten: ‘Tja, niks aan te doen dan, hè. Hij zal zijn jaren wel gehad hebben, zeker.’
Maar enfin, zo oneerbiedig, dacht ik nog, maar toen ik hem zich hoorde herpakken met: ‘Dan zullen wij gauw eens langskomen om hem te vervangen’, begon het mij te dagen dat dat sterfgeval weleens zou kunnen duiden op de tv die we onlangs naar de winkel hadden gebracht met een knipperend stand-bylampje.
En jawel, hoor. Zoals we al hadden gevreesd, bestaan er inmiddels geen vervangonderdelen meer voor ons toestel, dat de leeftijd van een jaar of vijf moet hebben gehaald. Na het wegwerpfototoestel, de wegwerp-tv.

Zo kwam het dat wij ons gisteren naar de winkel begaven voor een nieuw exemplaar. Hetzelfde merk, ondanks de korte levensduur, omdat dat bekendstaat als ‘het beste’, en ook het beste op het gebied van klank. En beeld, voegde de verkoper nog toe.
Ofwel gaan de andere merken dus nog sneller stuk, ofwel hadden wij pech. Zoals we ook al pech hadden met ons vorige tv-toestel (van een ander merk), en zoals ik ook al pech had met mijn fototoestel, dvd-speler, iPod, iPhone, …

In de winkel dus. Nadat we uitgediscussieerd waren over het benodigde aantal inches, en ik mijn man ervan had kunnen overtuigen dat we meer inches nodig hadden dan ons pas ter ziele gegane toestel had, omdat we binnenkort naar een huis met een ruimere woonkamer verhuizen, haalden we er een verkoper bij.
Wat ik apprecieer bij een verkoper van producten waar ik zelf weinig kennis van heb, is dat hij een beetje zelfzeker een bepaalde richting uitgaat, zonder opdringerig te zijn. Je weet wel, doen alsof HIJ dat bepaald toestel zou kopen om die en die reden. Of zijn uitleg klopt of waarheidsgetrouw is, maakt mij allemaal niet zoveel uit, want ik zal dat toch nooit ontdekken. En ik zal blij zijn met en overtuigd van mijn keuze, omdat mij dus is verteld (door een specialist ter zake!) dat dat de beste was.
De persoon die ons gisteren in de winkel hielp, was, hoewel erg vriendelijk en welwillend, echter niet zo’n verkoper. Hij bevestigde wel wat wij ‘gehoord’ hadden over dat ‘beste merk’, dat was inderdaad een heel goede keuze, maar verder drentelde hij wat voor ons uit tussen de toonzaalmodellen, nu eens het ene, dan weer het andere aanwijzend, zonder dat ik goed het verschil begreep en mijn man daar ook met een – voor mij toch – zichtbaar vraagteken boven zijn hoofd rondliep.
Hij had slechts twee vragen voor ons: of we ambilight wilden, en of we een zwarte dan wel donkergrijze omkadering wensten. Bij beide vragen keken zowel hij als mijn man naar mij. Alsof ik het vrouwtje was dat alleen interesse heeft in de kleur van de wagen.
Toen de verkoper er even een folder bij ging halen, fluisterde ik tegen mijn man: ik zou verkopers die een bodywarmer dragen toch niet zo vertrouwen, hoor, tenzij je ze in een boomkwekerij aantreft.
Ze dragen hier allemaal van die bodywarmers, antwoordde hij. Het was er inderdaad fris.

Enfin, we hebben onze nieuwe tv, konden hem al meteen meenemen. Er stonden er veertien in het magazijn. Dat moet wel met zo’n korte levensduur.
Het is er een met een mooie rand en ambilight. Meer moet dat niet zijn.

Slaap

Ik lig tussen pas gewassen lakens, warmte heeft zich gelijkmatig over mijn hele lichaam verspreid, het dons rust licht op mij. Ik word slaperig, herstel moeizaam van het niet kunnen slapen.
Mijn aandacht gaat vanzelf naar mijn voetzolen en dat maakt me rustig. Ze geven een grens aan. Ik hoef me maar te bekommeren tot daar. Alles tussen mijn gedachten en voetzolen heb ik onder controle, voor nu dan toch.
Mijn lichaam ligt zwaar op de pas omgekeerde matras, ik zak weg in mezelf. Ik zal het glas water en de pil naast mijn bed niet nodig hebben vannacht. Alles gaat goed.

De wekker toont een uur later dan daarnet, ik weet niet of ik geslapen heb. Dat wil zeggen dat ik geslapen heb, zij het licht.
Ik ga naar het toilet, ook al ben ik met dorst gaan slapen. Terug in bed kruipt dat onbestemde, angstige gevoel in mijn lijf. Ik ben kapot van die twee minuten uit bed. Het lichaam dat rechtop kwam, zich noodgedwongen moest herschikken. Alle organen erin, het bloed.
De gedachten, de onverklaarbare angst opeens, het bewust zijn. Mijn voetzolen zijn weg.
Ik lig in het donker, denkend aan ik. Het voelt alsof ik met z’n tweeën ben. Ik probeer die tweede te vangen, maar zij glipt telkens weg zodra ik naar haar kijk. Het topje van mijn neus is koud.
Ik probeer te denken aan de oerknal, en wat daaraan vooraf ging, maar besef al gauw dat er zonder tijd geen vooraf is. Ik raak in de war en half in slaap en ik droom.
Mijn moeder lacht gemeen naar mijn jongere ik en roept: ik haat u ik haat u ik haat u ik haat u!
Ik weet dat ik helemaal alleen ben nu en het in mijn eentje zal moeten redden. Ze bevestigt wat ik altijd al wist, toch ben ik bang. Onnoemelijk bang.
Ik glip in een andere nachtmerrie, en daarna in weer een andere. Ik word wakker in een nat slaapshirt met op de voorzijde in scherpe, zelfzekere letters: ‘Paris’. Het is kwart voor vijf. Buiten ploft een hoop sneeuw van het dak.

Ik lees in het witte boekje op mijn nachtkastje. De titel is ‘Wit’, en het gaat over witte dingen. Ook over sneeuw.
Na een uur ben ik nog steeds niet slaperig, maar toch knip ik het licht uit en wacht.

Harde poppen

Als kind kreeg ik harde poppen
die roken naar erwten en verlating.
Met hun dikke enkels en priemende vingertjes,
het onnatuurlijk glanzende haar
dat in trosjes uit de roze koppen groeide.
Starende ogen, blind voor kinderleed.

Wat ik wou, was een zachte beer.
Zo een om tegen je buik te drukken
en te aaien, eindeloos.
Dus pikte ik de ijsbeer van mijn kleine broer.
Hij keek er toch niet naar om.
Hij – de beer – was bevroren in zithouding,
zijn witte pootjes staken vooruit in een hou-mij-vast
maar duwden tegelijk elke toenadering van zich af.
Maanden zat hij op mijn bed te zitten,
’s nachts kroop hij onhandig tegen me aan.
Toen riep broer: van mij!
Vanaf dan sliep ik weer met een koude buik.

Ik werd een buikpijnkind.
Trok op met een van de poppen,
de enige met een naam.
Ik noemde haar Simonneke,
naar de oppas van mijn broer.
(Want zij was een lieve.)
Ook al waren Simonnekes haren lang en blond,
en die van Simonne kort en zwart.
Ik kamde, vlocht, maakte staarten,
kamde de glans eraf.
En trok ondertussen, zo vaak ik kon,
het strakke elastiek van mijn onderbroek
van mijn pijnlijke buikje af.

Toen de ijsbeer in de kast
al lang was vergeten
en de broer met punkkapsel en ratten sliep,
begon hij mij in onze woonkamer te slaan.
Vanuit de keuken luisterde de moeder.

(Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen en/of poppen berust op louter toeval.)

2d4041ae99329237e9770f4981300a5d

Grenzen

Ik ben wat te vroeg en beslis vòòr de les nog gauw een brood te kopen op de markt vlakbij. Tegen de zijkant van het bakkerskraam leunt een man. Hij praat tegen de vriendelijke verkoopster. De stugge is voor mij. Ik wens haar opgewekt een goedemorgen, zij mompelt iets, snijdt mijn speltbrood. Ik ben de enige klant. De man stuurt zijn verhaal boven het kabaal van de broodsnijmachine uit, zwijgt dan even, niest tegen mij aan. Ik betaal, wandel naar het lokaal waar ik de voormiddag zal doorbrengen, net als vorige week. Ik leer over grenzen.

In een e-mail van mijn beste vriend lees ik: ‘Ik vind dat je bijzonder weinig begrip toont voor mijn situatie’. En in een volgende wordt die zin herhaald, en aangevuld met: ‘Je bent soms zo …’
Achter die ‘zo’ is zoveel ruimte om in te vullen, dat ik snel de mail sluit.
Zijn drie voorafgaande berichten, die in de tijdsspanne van een kwartier waren afgevuurd, bestonden gedeeltelijk uit hoofdletters. Om boosheid uit te drukken.
Het stond er ook zo: ‘IK KOOK VAN WOEDE’. En: ‘IK BEN RAZEND’.
Die berichten kwamen als reactie op mijn teleurstelling in hem. Omdat ik die had uitgesproken. En omdat ik al zo lang over me heen had laten lopen, braaf was geweest, geduldig, en zijn niet nakomen en steeds opschuiven van een belofte de druppel was.
Zo had ik dat ook geschreven: ‘Sorry als ik wat scherp klink nu, maar alles loopt mis in mijn leven en dit is de druppel.’
En na die hoofdletters was ik ook nog eens boos op mezelf, omdat ik die druppel zo tactvol mogelijk had proberen te verwoorden en me dan ook nog had verontschuldigd voor mijn boosheid. En omdat ik blijkbaar, nog altijd, niet boos mag zijn. Omdat daar dan overheen wordt geroepen.
En omdat mijn beste vriend mij ziet als iemand die weinig begrip toont, terwijl ik soms naar adem moet happen van al dat meevoelen, en net daarom wil leren over grenzen.
Ik zwijg, hou deze gedachten voor mij.

Tijdens deze tweede les over grenzen is het mijn beurt om kwetsbaar te zijn, nadat de meeste anderen dat al waren. Ik hoor mijn woorden de stilte doorscheuren en ook dat trillinkje in mijn stem, en weet dat de anderen het ook hebben gehoord. Ik heb het minst erge verhaal uitgekozen. Ik voel hoe iedereen luistert.
Dan is het pauze en wanneer ik opsta en mijn jas aantrek, vraagt degene naast mij zacht: ‘Gaat het?’
Dat deze woorden komen nadat ik had beslist dat ik uitgegeven was, dat het nu eindelijk eens de beurt mocht zijn aan krijgen, treft me. Ze zijn de zwachtel rond de hoofdletters.

Enkele uren na de sms die ik hem stuurde over de zoveelste klap, belt mijn man vanuit Londen.
Ik huil: ‘Ik mag geen dochter zijn, ik mag geen moeder zijn, ik mag geen schrijfster zijn. Wat ben ik dan wèl?’ Hij zegt niet ‘mijn vrouw’, maar: ‘Je hoeft geen rolletje te zijn, maar gewoon jezelf.’
Dat klinkt zo geruststellend, dat ik hem geloof.